Mensen zijn door de eeuwen heen zeer ontvankelijk gebleken voor xenofobie. Voor alle dingen die fout gaan zoekt de mens het liefste een zondebok, een scapegoat, Sündenbock, un biuc émissaire, chivo expiatorio. De bekendste zondebok is natuurlijk de jood. Die heeft door alle eeuwen heen de grootste offers moeten brengen, het meest geleden onder deze pathologische angst voor wat vreemd is. Hier te lande zeggen we graag: wat de boer niet kent dat vreet hij niet. Steeds nadrukkelijker krijg ik het gevoel dat die xenofobie de meest menselijke karaktertrek is, belangrijker nog dan de liefde van een ouder voor zijn kind.
Dit redeloze gevoel, want meer is het niet, is in het geheel niet ontvankelijk voor wat we 'de werkelijkheid' noemen. Hier regeert de onderbuik. Een correspondentievriend zei me onlangs dat mijn kille cijfers (die aantoonden dat zijn gevoel nergens op sloeg) totaal niet relevant waren. Het ging er slechts om dat hij iets op een bepaalde wijze ervoer en hij voelde er niets voor zich te laten corrigeren door wat waarneembaar en beredeneerbaar een heel andere richting insloeg.
Wat echter steeds meer doorsijpelt in die zo menselijke vreemdelingenhaat is de gedachte dat de ene mens superieur is aan de andere. Die xenofobie gaat gepaard aan een heel ander, sinisterder gevoel: de witte superioriteit, white supremacy. Steeds meer mensen praten hier steeds nadrukkelijker en steeds minder besmuikt hardop over. We kennen inmiddels vele pleitbezorgers van de gedachte dat witte mensen intelligenter zijn dan zwarte mensen, zoals Jared Taylor, Nick Bostrom, Nicolas Wade en Nathan Cofnas. Maar ook hier kennen we een lange geschiedenis, David Hume, Immanuel Kant en Georg Wilhelm Friedrich Hegel meenden ook al dat de zwarte mens in intelligentie achterbleef bij de witte mens. Enige wetenschappelijk bewijs voor deze aanname is evenwel nooit geleverd.
Bas Heijne, uitmuntend essayist en redacteur bij de NRC, schreef een uitstekend artikel in zijn krant dit weekend. De titel van zijn artikel geeft mijns inziens precies weer hoe we de werkelijkheid van vandaag moeten duiden: extreem rechts is uit op macht en vernedering. Sociale rechtvaardigheid interesseert hen niet. Gooi de zwarte eruit en alles wordt beter, zo luidt hun adagio. Zij geloven niet in de democratie omdat er dan krachten boven kunnen komen drijven die tot hen onwelgevallig beleid kan leiden en dat is wel het ergste dat hen kan overkomen. De kracht van de democratie is nu juist dat degene die tot een willekeurige minderheid behoort niet uitgegumd of verwijderd wordt. Maar de rechts-extremist meent dat de wil van de meerderheid dient te geschieden. De stem van het volk dient niet alleen gehoord maar coûte que coûte uitgevoerd te worden. En het volk, dat zijn wij, schreeuwt de rechts-extremist.
Waar de rechts-extremist met zijn roep om een sterke man echter niet over nadenkt is het volgende. Hoe weet hij zeker dat die sterke man, waar zij om roepen, altijd bereid zal zijn zíjn wil uit te voeren? Ligt het niet veel meer voor de hand dat de sterke man zijn heil zal zoeken bij de grootste ondernemers en bij het leger? De sterke man zal een onweerstaanbare behoefte hebben om zijn machtsbasis te verdedigen en dus dient hij zijn achterban, de naar zijn onderbuik luisterende rechts-extremist, te beheersen en onder de duim te houden. Is dat dan de positie die de rechts-extremist als het hoogste goed beschouwt?: liggend op zijn rug, spartelend met benen en armen en zich realiserend dat hij niets maar dan ook niets te vertellen heeft? De rechts-extremist is de geknechte mens, tandenknarsend en wenend, zich voor zijn kop slaand dat hij ooit de verkeerde afslag nam, iedereen met zich meesleurend.


Geen opmerkingen:
Een reactie posten