zondag 1 november 2020

Landbouwgrond voor immigranten?

 

Jan Cees Vogelaar is een boer die nauwe banden heeft met de Farmers Defence Force, u weet wel, die club intimiderende boeren die politici in de avonduren thuis opzoeken. Vogelaar behoort tot de stikstofontkenners. Lees wat meer over deze landbouwtsaar in de NRC. Niet zo vreemd dat hij inmiddels op de kieslijst van FvD terecht is gekomen, op plaats negen. Baudet gaat de verkiezingsstrijd in met twee thema's, klimaat en migratie.

En Vogelaar zou Vogelaar niet zijn als hij er niet in slaagde om immigratie aan landbouw te koppelen. Letterlijk zegt hij: "Als we de immigratiestroom niet indammen, waar gaan we die dan huisvesten? Daarvoor moet platteland, boerenland worden bebouwd". Onzindelijker en perverser kun je het nauwelijks krijgen.

Wie wil in vredesnaam zijn stem gunnen aan dit soort halve gare idioten? Ik zou zeggen, wie hierop stemt laat zich doelbewust beledigen. Want niemand kan zo stompzinnig zijn te veronderstellen dat de boeren land moeten gaan afstaan om immigranten te huisvesten.

Nee, meneer Vogelaar, ik zet het nog eens duidelijk voor u op een rijtje: de boeren bewerken ongeveer tweederde van het grondareaal in ons land vooral om agrarische producten te exporteren over de hele wereld maar zonder dat alle productiekosten in de eindprijs per producteenheid worden verrekend. Daardoor betalen de Nederlandse burgers via de belastingen alle niet doorberekende productiekosten zoals daar zijn: mestoverschot, stikstofdepositie, CO2 uitstoot, fijn stof uitstoot, afbraak biodiversiteit door monoculturen, geforceerde verlaging grondwaterspiegel in het natte seizoen en zo kunnen we nog wel even doorgaan.

Als de Nederlandse boeren zich vooral op de Europese voedselvoorziening zouden concentreren kan er inderdaad heel wat agrarisch grondgebied beschikbaar komen voor natuur. Alleen al de noodzakelijke halvering van onze veestapel zou ons heel veel extra natuur op kunnen leveren.

Maar hoe het ook zij, ik moet er toch niet aan denken dat zo'n FvD inderdaad zou gaan deelnemen aan een kabinet. En je moet er toch niet aan denken dat zo'n onverlaat als Vogelaar het voor het zeggen zou krijgen in de landbouwsector.

maandag 26 oktober 2020

A life on our planet

 

Voorafgaande aan de jongste documentaire van David Attenborough A life on our planet wordt een documentaire over Greta Thunberg aangeprezen. Een documentaire die ik niet zal gaan zien, ook al kan ik niet precies aangeven waarom niet. Ik vermoed dat de leeftijd hier een grote rol speelt. Ik wil zeker niet badinerend over de Zweedse klimaatactiviste spreken, het is verfrissend en opmerkelijk dat zij zo'n rol kan spelen in het debat over de opwarming van de aarde. Volwassenen die haar proberen af te serveren, en er zijn er genoeg die dat menen te moeten doen, zouden zich diep moeten schamen.

 

Maar in wat ik tot nog toe van Greta Thunberg waarnam, ontbreekt de zin voor betrekkelijkheid. Zij lijkt behalve door oprechte en helaas terechte zorgen over het klimaat vooral door woede gedreven te worden. Hoe begrijpelijk en gerechtvaardigd die woede ook is, ik prefereer toch nadrukkelijk de lankmoedigheid van de 94 jarige David Attenborough. Bij hem geen woede of opgewonden verhalen maar een rustige verteltrant, even prachtige als indrukwekkende en vooral zorgwekkende beelden, een onontkoombaar verhaal. Waar Thunberg uitroept 'I want you to panic!' zegt Attenborough 'There is still hope!'


Deze documentaire geeft een overzicht van de zeventigjarige carrière van de bioloog Attenborough en hij schetst de ontwikkeling van het ecosysteem aarde aan de hand van drie waarden die hij voor elk decennium sinds 1950 weergeeft: de wereldbevolking, de hoeveelheid koolstof in de atmosfeer en de resterende wildernis. In 1950 bedroeg de wereldbevolking 2,6 miljard en nu in 2020 zitten we al op 7,8 miljard. Het aandeel koolstof in de atmosfeer is gestegen van 300 naar 400 ppm en de resterende wildernis bedraagt nog slechts zo'n 30%. Meer getallen hebben we niet nodig om ons de ernst van de situatie te doen realiseren.

Het probleem is dat deze documentaire vooral preken voor eigen parochie is. Ik denk niet dat klimaatontkenners hier naar willen kijken. Toch is het verhaal van Attenborough onvermijdelijk en onweerlegbaar. Het zou verplichte kost moeten zijn op alle scholen in de hele wereld maar vooral voor alle parlementen en alle regeringen overal ter wereld. Of dat voldoende is om het gevoel voor urgentie te kweken dat nodig is om de wereld te behoeden voor een catastrofaal einde van de menselijke soort? Je moet je zelfs afvragen of het wel zo'n ramp is als de menselijke soort zichzelf ombrengt. Misschien dat er dan een nieuw evenwicht kan ontstaan, misschien dat zich dan nieuwe biodiversiteit kan ontwikkelen, wij mensen voegen niets toe, we breken slechts af.


Ik ga niet meer in gesprek met klimaatontkenners, zoals ik ook gelovigen en complotdenkers bij voorkeur links laat liggen. Gelukkig zijn er genoeg anderen die zich ervoor in willen spannen onvermoeibaar het belang van wetenschap te blijven bepleiten. Maar juist bij klimaatontkenners, gelovigen en complotdenkers valt wetenschap niet in vruchtbare aarde. De essentie van wetenschap is dat zij betwijfeld moet worden maar niet door de eerste de beste nitwit die een mening belangrijker vindt dan een feit. De wetenschap moet juist door de wetenschap betwijfeld worden. Iets is wetenschappelijk juist en waar zolang experimenten uitgevoerd en herhaald kunnen worden en tot nieuwe experimenten aantonen dat een these wetenschappelijk onderuit kan worden gehaald.

Ook al was hij voor eigen parochie, het is een indrukwekkende, even prachtige als zorgwekkende documentaire, dit A Life on our Planet.

woensdag 21 oktober 2020

The Painted Bird

 

In 1965 werd The Painted Bird van de Pools-Amerikaanse schrijver Jerzy Kosinski gepubliceerd, een jaar later vertaald in het Nederlands. Ik heb het boek destijds gelezen, ik zie de cover nog zo voor me.  De Tsjechische regisseur Václav Marhoul heeft het boek nu verfilmd, een epos in zwart-wit van bijna drie uur. Op basis van de trailer en wat publicaties rondom de film ging ik de film in mijn eentje bekijken. Niemand uit mijn omgeving had er echt zin in. Ten onrechte, overigens. Alleen al vanwege de jongen Joska, die onvergetelijk gespeeld wordt door Petr Kotlár.

Het verhaal speelt zich af tegen het einde van de Tweede Wereldoorlog ergens in wat ik maar Groot-Slavië noem, het gebied tussen Tsjechië, Hongarije, Transsylvanië en Oekraïne. De jongen is alleen overgebleven en gaat op zoek naar zijn ouders maar heeft geen idee waar hij hen zoeken moet. Hij zwerft door voornamelijk achterlijke gebieden, bevolkt door achterdochtige arme boerenfamilies die er animistische gebruiken op na houden.

Het is een heroïsch verhaal geworden, een avonturenfilm. Maar dan wel avonturen in de duistere mensenwereld. Dat er wreedheid bestaat, weten we. En in tijden van oorlog treedt die wreedheid wel heel erg expliciet aan de oppervlakte. Dus gewelddadige scenes met nazi's, Russen en Kozakken kunnen ons in deze film nauwelijks verbazen.


Maar Joska lijkt rond te zwerven in een wereld waar Rutger Bregman liever niet van droomt. Eerlijk gezegd is de hoeveelheid wreedheid die het joch te verduren krijgt wel een overdosis. Ik betrapte me halverwege de film, toen ik al heel wat geweld voorbij had zien komen, en toen Joska over een ijsvlakte kroop, op de gedachte: "ze zullen hem toch niet ook nog eens door het ijs laten zakken hè?" Maar jawel hoor, ook dat bleef hem niet bespaard. 


En dat een goedbedoelende priester hem uitgerekend bij een sadistische pedofiel onderbrengt is ook wel veel van je voorstellingsvermogen gevraagd. Net als de nymfomane die de jongen van hoogstens 12 jaar ontmaagdt. Tijdens de film vraag je je af wat al deze wreedheid met de jongen zal doen. En er zijn drie scènes waarin Joska op even wrede wijze wraak neemt op zijn belagers, op de pedofiel (ik zag twee andere bezoekers vóór mij naar elkaar een duim opsteken bij deze scène), op de nymfomane en op een marktkoopman ergens in Oekraïne. Natuurlijk is die wraak begrijpelijk en zelfs te rechtvaardigen maar je houdt je hart vast. Overigens wordt er in de film ook anderen behoorlijk wat wreed geweld aangedaan.

Kortom, in het universum dat Kosinski, respectievelijk Marhoul ons voorschotelen kun je bepaald niet beweren dat de meeste mensen deugen. Er was gewoon te veel wreedheid. Een enkele keer ook heel ongeloofwaardig. Zoals in de scène waarin Joska misdienaar is bij de opvolger van de goedbedoelende priester en met het missaal achteruitlopend van de altaarverhoging afdondert waarop de gezamenlijke kerkbezoekers hem prompt in een gierput gooien. Op enkele scènes na wordt het geweld overigens niet direct gefilmd, juist doordat de camera op het moment suprême zich van de scène afkeert weet je dat er iets vreselijks wordt voltrokken. De impact is er niet minder om. Alleen de allereerste scène wordt direct gefilmd in beeld gebracht. Je zit meteen strak in je stoel en je hoopt dat niet de hele film gevuld zal zijn met dit soort beelden.

Maar ondanks deze kritiek vond ik het toch een monumentale film. De zwart-wit beelden waren bij tijd en wijle betoverend en in het begin deden ze me vooral aan de Hongaarse cineast Béla Tarr denken, die het werk van de Hongaarse schrijver László Krasznahorkai zo onvergetelijk verfilmde. Ook de verschillende personages, en er trokken er nogal wat aan ons voorbij, waren fantastisch gecast. 

En het verhaal dat de film vertelt is het verhaal van xenofobie. Alles en iedereen die niet direct als eigen wordt herkend, wordt onmiddellijk verstoten. Dat overkomt de geverfde vogel, dat overkomt Joska. Het is een verhaal van alle tijden en we lijken er maar niets van te leren.